Oplossingen Vreemde Eend

Eén van moeilijkste oefenmethodes is ongetwijfeld Vreemde Eend.
In dit "spel" moet je op zoek naar de vreemde eend in een rij van 4 afbeeldingen.

Hieronder vind je de antwoorden per doelklank.
Scroll verder naar beneden voor de overige 5 doelklanken.

D INITIAAL

Oefening 1. dokter – dief – duiker – dame (reden: is geen beroep)
Oefening 2. duin – dik – duim – duif (reden: geen ui)
Oefening 3. deur – duik – dam – dobber (reden: geen water)
Oefening 4. denken – duiken – donker – duwen (reden: kan je niet doen)
Oefening 5. dorp – Duiker – Dam – Duin (reden: geen natuurelement)
Oefening 6. deken – doek – doos – duim (reden: kan je niet opplooien)
Oefening 7. doel – dienblad – duiken – dansen (reden: heeft niets met sport te maken)
Oefening 8. dak – das – donker – dief (reden: niets met nacht te maken)
Oefening 9. duivel – doorn – dolk – deken (reden: heeft niets scherps)
Oefening 10. dame – diepvries – domino – dop (reden: geen drank op de foto)

D MEDIAAL

Oefening 1. broeden – buidel – cadeau – kudde (reden: heeft niets met dieren te maken)
Oefening 2. leider – woede – moeder – redder (reden: anderen houden in het oog of je veilig bent)
Oefening 3. koude – kader – kade – ladder (reden: begint niet met de k)
Oefening 4. zijde – bedden – kudde – ladder (reden: geen zachte materialen)
Oefening 5. judo – redder – verkouden – medaille (reden: heeft niets met sport te maken)
Oefening 6. poeder – kader – ladder – lade (reden: niet van hout)
Oefening 7. rijden – poedel – bidden – bedelen (reden: is geen werkwoord)
Oefening 8. broden – midden – moeder – middag (reden: begint niet met de m)
Oefening 9. koude – buidel- moeder – vader (reden: heeft geen kind)
Oefening 10. woede – koude – redder – midden (reden: geen man op de foto)

D INITIALE CLUSTERS

Oefening 1. drinken – drank – druppel – dwergkonijn (reden: geen vloeistof)
Oefening 2. drie – draak – droog – droom (reden: geen wolk op de foto)
Oefening 3. dwarrelen – dwergkonijn – driehoek – druif (reden: geen natuur)
Oefening 4. droevig – dwaas – dronken – dragen (reden: geen man op de foto)
Oefening 5. dwaas – driehoek – druif – dweil (reden: geen rood op de foto)
Oefening 6. driehoek – drietand – driewieler – droger (reden: geen drie)
Oefening 7. drinken – dwarrelen – dragen – druivensap (reden: geen werkwoord)
Oefening 8. dweilen – druivensap –drank – dronken (reden: niets met drinken te maken)
Oefening 9. dwarsfluit – droog – droger – driewieler (reden: geen voorwerp)
Oefening 10. druivensap – dweil – droog – dwaas (reden: geen eenlettergrepig woord)

K INITIAAL

Oefening 1. kip – koe – kameel – kaas (reden: is geen dier)
Oefening 2. kei – kasteel – kamer – kelder (reden: heeft niets met een huis/woning te maken)
Oefening 3. kapper – kam – kuif – kaal (reden: heeft geen haar)
Oefening 4. kop – kom – kaarten – kaas (reden: heeft niets met eten te maken)
Oefening 5. kuil – kast – kalender – kader (reden: komt niet voor in een bureau)
Oefening 6. kopen – kam – kaarten – kalender (reden: geen cijfer op de foto)
Oefening 7. kip – kop – kom – kiezen (reden: geen servies op de foto)
Oefening 8. kat – koe – kip – konijn (reden: geen zoogdier, maar een vogel)
Oefening 9. kous – koffer – kameel – koppel (reden: niet per twee)
Oefening 10. kermis – kamperen – kaarten – kandelaar (reden: geen leuk ding om samen te doen)

K MEDIAAL

Oefening 1. tekenen – gokken – eikel – trekken (reden: geen werkwoord)
Oefening 2. hakken – strikken – trekken – vlekken (reden: geen schoenen)
Oefening 3. bakker – lekker – ruiker – likken (reden: geen persoon die eten vast houdt)
Oefening 4. dubbeldekker – takken – eikel – okkernoot (reden: niet uit het bos)
Oefening 5. tekenen –takelen – haken – strikken (reden: doe je niet met je handen)
Oefening 6. gokken – joker – poker – wekker (reden: zie je niet in het casino)
Oefening 7. raket – takelen – dubbeldekker – bikini (reden: geen voertuig)
Oefening 8. raken – rekenen – ruiker – bokaal (reden: begint niet met de r)
Oefening 9. choco – bikini – mokken – tikkertje (reden: staat geen mens op de foto)
Oefening 10. wekker – deken – laken – fakkel (reden: niet in de slaapkamer)

K FINAAL

Oefening 1. tak – vuilniszak – struik – stok (reden: heeft niets met een plant te maken)
Oefening 2. bek – bok – hok – pruik (reden: heeft niets met dieren te maken)
Oefening 3. driehoek – blok – boek – rek (reden: niet vierhoekig)
Oefening 4. gebak – biefstuk – wok – hak (reden: niet uit de keuken)
Oefening 5. rok – pruik – onderbroek – sok (reden: geen kledingstuk)
Oefening 6. hek – hok – rook – rek (reden: niet van hout gemaakt)
Oefening 7. buik – draak – aanzoek – apotheek (reden: geen mens op de foto)
Oefening 8. beek – stick – struik – dagboek (reden: geen groen op de foto)
Oefening 9. sok – stok – rugzak – rok (reden: doe je niet aan)
Oefening 10. biefstuk – spaak – beek – buik (reden: begint niet met de b)

K INITIALE CLUSTERS

Oefening 1. kwispelen – kreeft – knoeien – kwal (reden: geen dier)
Oefening 2. kneden – klei – knoeien – knielen (reden: worden je handen niet vies van)
Oefening 3. kroon – clown – kleren – klomp (reden: kan je niet op- of aandoen)
Oefening 4. kletsen – klas – klein – knielen (reden: geen mannen in pak)
Oefening 5. kroon – kwast – kruis – klomp (reden: geen hout)
Oefening 6. kraan – kleren – krant – kraag (reden: kan je niet vouwen)
Oefening 7. kralen – klomp – kleuren – klei (reden: geen knutselmateriaal)
Oefening 8. klas – krijt – clown – kralen (reden: geen kleurrijke foto)
Oefening 9. knie – knielen – kloppen – krullen (reden: geen handen op de foto)
Oefening 10. kruiden – kwal – kruis – kreeft (reden: komt niet in de natuur voor)

K FINALE CLUSTERS

Oefening 1. berk – bloemenperk – park – pretpark (reden: geen bomen of planten)
Oefening 2. balk – stank – pink – sterk (reden: geen gebaar)
Oefening 3. augurk – drank – Hulk – park (reden: geen groen op de foto)
Oefening 4. wolk – pretpark – valk – sfinx (reden: geen blauwe lucht als achtergrond)
Oefening 5. dolk – vork – hark – huiswerk (reden: geen gebruiksvoorwerp)
Oefening 6. augurk – vork – melk – drank (reden: kan je niet eten of drinken)
Oefening 7. zerk – sterk – schurk – stank (reden: geen mens op de foto)
Oefening 8. pretpark – werk – Hulk – breiwerk (reden: is niet gelinkt aan ontspanning)
Oefening 9. Hulk – park – heks – hark (reden: begint niet met de h)
Oefening 10. snurk – sterk – heks – stank (reden: geen vrouw op de foto)

L INITIAAL

Oefening 1. leeuw – luipaard – lamp – laars (reden: is geen dier)
Oefening 2. limoen – letters – lijstje – laptop (reden: geen letters)
Oefening 3. lekker – limoen – lijm – lolly (reden: geen voedsel)
Oefening 4. ladder – lat – luchtmatras – lade (reden: geen hout)
Oefening 5. lippen – longen – lamp – lakken (reden: geen lichaamsdeel op te zien)
Oefening 6. luchtmatras – limoen – leger – limonade (reden: niets groen in beeld)
Oefening 7. lift – lam – ladder – lachen (reden: geen wit)
Oefening 8. lopen – luipaard – luisteren – liggen (reden: geen mensen)
Oefening 9. luchtmatras – liggen – laken – luisteren (reden: niets met liggen te maken)
Oefening 10. lachen – lolly – luisteren – lekker (reden: geen kindje in beeld)

L MEDIAAL

Oefening 1. paling – huilen – vallen – molen (reden: geen witte achtergrond)
Oefening 2. olijf – ballon – trampoline – kalender (reden: is niet rond)
Oefening 3. goochelaar – hallo – politie – rillen (reden: geen zwarte kledij)
Oefening 4. rollen – zwaluw – bellen – paling (reden: geen dier)
Oefening 5. rollen – rillen – ruilen – voetballen (reden: niet met r)
Oefening 6. salade – olijf – delen – cola (reden: kan je niet eten)
Oefening 7. alleen – vallei – file – trampoline (reden: geen gras)
Oefening 8. helikopter – ballon – zwaluw – alleen (reden: niet in de lucht)
Oefening 9. tweeling – tellen – kietelen – tweeling (reden: geen twee kinderen)
Oefening 10. vallen – politie – rillen – goochelaar (reden: geen beroep)

L FINAAL

Oefening 1. appel – kool – wortel – egel (reden: is geen voedsel)
Oefening 2. bal – bel – stal – bijl (reden: begint niet met de b)
Oefening 3. nagel – kameel – egel – ezel (reden: is geen dier)
Oefening 4. kool – pijl – appel – bal (reden: is niet rond)
Oefening 5. puzzel – appel – eikel – egel (reden: vind je niet in het bos)
Oefening 6. hengel – kasteel – nagel – winkel (reden: eindigt niet op -el)
Oefening 7. winkel – zeil – kasteel – stal (reden: kan je niet in binnengaan)
Oefening 8. stoel – kwal – kameel – ezel (reden: heeft geen vier poten)
Oefening 9. ezel – viool – oorbel – bel (reden: kan geen geluid maken)
Oefening 10. hengel – penseel – stoel – vijl (reden: hou je niet in je handen)

L INITIALE CLUSTERS

Oefening 1. bloem – bloesem – klaproos – vlinder (reden: geen bloem)
Oefening 2. olifant – blauw – bliksem – vlag (reden: geen blauw op de foto)
Oefening 3. slapen – fluisteren – glijden – blazen (reden: twee kindjes ipv één)
Oefening 4. vlinder – slurf – flamingo – clown (reden: geen dier)
Oefening 5. klomp – vlecht – slee – plank (reden: niet van hout)
Oefening 6. vlieger – vliegtuig – fluit – vlinder (reden: vliegt niet)
Oefening 7. slinger – pleister – vlieger – vlag (reden: niet met stof gemaakt)
Oefening 8. plukken – plank – slapen – blazen (reden: kan je niet doen)
Oefening 9. vlag – plaat – klok – planeet (reden: is niet rond)
Oefening 10. glas – pluim – fles – klok (reden: breekt niet als je het laat vallen)

L FINALE CLUSTERS

Oefening 1. paal – kool – bal – appel (reden: is niet rond)
Oefening 2. appel – kwal – puzzel – bijl (reden: geen rood op de foto)
Oefening 3. kasteel – zeil – kwal – vijl (reden: geen blauw op de foto)
Oefening 4. ezel – kasteel – egel – kameel (reden: is geen dier)
Oefening 5. appel – wortel – kool – kwal (reden: kan je niet eten)
Oefening 6. pil – ezel – bel – viool (reden: maakt geen geluid)
Oefening 7. penseel – vijl – stoel – bijl (reden: hou je niet in je handen)
Oefening 8. kasteel – zadel – winkel – stal (reden: kan je niet in binnen gaan)
Oefening 9. stoel – ezel – wortel – kameel (reden: heeft geen vier poten)
Oefening 10. nagel – kaal – oorbel – bijl (reden: geen lichaamsdeel op de foto)

N INITIAAL

Oefening 1. navel – nier – neus – naald (reden: geen lichaamsdeel)
Oefening 2. naald – net – nietje – netel (reden: kan je je niet aan prikken)
Oefening 3. nougat – noedels – noot – nar (reden: niet eten)
Oefening 4. netel – narcis – nest – nijptang (reden: vind je niet in het bos)
Oefening 5. netel – nijlpaard – Noordpool – net (reden: heeft niets met de natuur te maken)
Oefening 6. nagellak – natuur – netel – nest (reden: heeft niets met de natuur te maken)
Oefening 7. nier – nietje – nek – narcis (reden: geen “ie”)
Oefening 8. nek – nachtegaal – nat – nul (reden: meer dan 1 lettergreep)
Oefening 9. naakt – navel – nagel – nacht (reden: heeft niets met het lichaam te maken)
Oefening 10. nier– nar – natuur – nek (reden: eindigt niet op r)

N MEDIAAL

Oefening 1. sinaasappel – mayonaise – aubergine – planeet (reden: kan je niet eten)
Oefening 2. koning – piano – Chinees – tovenaar (reden: is geen mens)
Oefening 3. tennis – toneel – vitamine – piano (reden: kan je niet als hobby doen)
Oefening 4. donut – sinaasappel – bikini – planeet (reden: is niet rond van vorm)
Oefening 5. kanaal – vitamine – wasmachine – aspirine (reden: rijmt niet)
Oefening 6. kanaal – donut – kaneel – kano (reden: begint niet met “ka”)
Oefening 7. mayonaise – wasmachine – sinaasappel – kano (reden: geen 4 lettergrepen)
Oefening 8. vitamine – mayonaise – aubergine – sinaasappel (reden: is niet gezond)
Oefening 9. kano – pony – vitamine – limousine (reden: kan je niet gebruiken als vervoersmiddel)
Oefening 10. donor – tekening – zonnebril – tovenaar (reden: geen drie lettergrepen)

N FINAAL

Oefening 1. kalkoen – haan – spin – trein (reden: is geen dier)
Oefening 2. maan – ballon – telefoon – zon (reden: zie je niet in de lucht)
Oefening 3. pompoen – gordijn – citroen – kalkoen (reden: kan je niet eten OF eindigt niet op –oen)
Oefening 4. been – teen – steen – zoen (reden: rijmt niet met de overige woorden)
Oefening 5. kraan – zwaan – karton – haven (reden: heeft niets met water te maken)
Oefening 6. schoen – zwaan – varken – haan (reden: is geen dier)
Oefening 7. gordijn – maan – steen – telefoon (reden: vind je niet in een huis)
Oefening 8. been – schoen – toren – teen (reden: heeft niets met schoeisel te maken)
Oefening 9. pompoen – karton – zon – ballon (reden: rijmt niet)
Oefening 10. citroen – varken – zon – maan (reden: niet geel)

N INITIALE CLUSTERS

Oefening 1. knie – knuppel – snor –snot (reden: heeft niets met het lichaam te maken)
Oefening 2. snijd – knutselen – knoflook – snuit (reden: geen werkwoord)
Oefening 3. knuppel – snor – snee – snoer (reden: begint niet met sn-)
Oefening 4. snuit – snot – snuffel – snijbiet (reden: geen “neus”)
Oefening 5. knipoog – snurk – sneeuw – knip (reden: geen handeling)
Oefening 6. snorkel – snoep – snowboard – snooker (reden: is geen hobby)
Oefening 7. knijp –snuffelen – snoep –knop (reden: telt meer dan één lettergreep)
Oefening 8. knoop – snavel – snuffel – snoek (reden: heeft niets met dier te maken)
Oefening 9. knuppel – kneed – snavel – knie (reden: geen kn-)
Oefening 10. snor – snijd – kneed – knoflook (reden: heeft niets met koken te maken)

N FINALE CLUSTERS

Oefening 1. gans – vierkant – hond – eend (reden: geen dier)
Oefening 2. mens – prins – agent – olifant (reden: geen “mens”)
Oefening 3. rund – zand – strand – wind (reden: heeft niets met de zee te maken)
Oefening 4. wapen – spons – jongen – lens (reden: geen voorwerp)
Oefening 5. krant – want – brand – lens (reden: rijmt niet met de overige fotos)
Oefening 6. spons – munt – rund – punt (reden: rijmt niet)
Oefening 7. wapens – molens – jongens – spons (reden: geen meervoud)
Oefening 8. mand – wind – plant – armband (reden: rijmt niet)
Oefening 9. krant – dons – olifant – punt (reden: meer dan 1 lettergreep)
Oefening 10. brand – agent – wapens – strand (reden: heeft niets met politie te maken)

R INITIAAL

Oefening 1. rommel – rol – rok – rits (reden: het woord begint niet met “ro”)
Oefening 2. roeien – regen – rijden – rolschaatsen (reden: niet voortbewegen)
Oefening 3. rijden – rolstoel –ring – radio (reden: geen voorwerp)
Oefening 4. rotonde – rijden – roeren – rijtuig (reden: heeft niet met verkeer te maken)
Oefening 5. rook – rood – rasp – rood (reden: het woord begint niet met “roo”)
Oefening 6. rust – ring – rups – rugzak (reden: geen u in het woord)
Oefening 7. rol – rijden – rijgen – radijs (reden: geen ij in het woord)
Oefening 8. rups – rits – rood – radijs (reden: geen s op het einde)
Oefening 9. raaf – rok – rook – rugzak (reden: geen k op het einde)
Oefening 10. regenboog – rauw – reddingsboei – rotonde (reden: niet drielettergrepig)

R MEDIAAL

Oefening 1. gitarist – klarinet – dirigent – deuren (reden: niets met muziek te maken)
Oefening 2. sirene – kanarie – mieren – giraf (reden: geen dier)
Oefening 3. dirigent – garage – gitarist – boerin (reden: geen beroep)
Oefening 4. bibberen – spetteren – fluisteren – kleren (reden: geen werkwoord)
Oefening 5. peren – haring – sigaret – toren (reden: kan je niet in je mond steken)
Oefening 6. toren – caravan – garage – mascara (reden: heeft niets met wonen/gebouw te maken)
Oefening 7. smerig – piraat – operatie – toren (reden: geen zelfstandig naamwoord)
Oefening 8. veren – peren – kleren – piraat (reden: rijmt niet op eren)
Oefening 9. scheuren – kanarie – scharen – scheren (reden: begint niet met sch)
Oefening 10. giraf – kanarie – sigaret – camera (reden: niet drielettergrepig)

R FINAAL

Oefening 1. bier -boer – beer – muur (reden: begint niet met b)
Oefening 2. vlinder – mier – beer – schaar (reden: geen dier)
Oefening 3. muur – glazuur – stuur – plezier (reden: rijmt niet op uur)
Oefening 4. helikopter – sleutelhanger – kar – duur (reden: geen zelfstandig naamwoord)
Oefening 5. hoefijzer – kandelaar – ijzer – wafelijzer (reden: zonder ijzer)
Oefening 6. bier- peer – wafelijzer – chauffeur (reden: niets met eten of drinken te maken)
Oefening 7. boor – chauffeur – goochelaar – kapper (reden: geen beroep)
Oefening 8. haar – kapper – schaar – kandelaar (reden: niets met kapsel te maken)
Oefening 9. computer – boer – hoefijzer – kandelaar (reden: geen drielettergrepig woord)
Oefening 10. vlinder – mier – pier –beer (reden: groot dier)

R INITIALE CLUSTERS

Oefening 1. traan- graat – draaimolen – spruit (reden: meer dan 1 lettergreep)
Oefening 2. kreeft – spring – schrik – sprint (reden: geen i)
Oefening 3. pruim – droom – spruit – framboos (reden: heeft niet met groenten en fruit te maken)
Oefening 4. friet – pruim – brood – springplank (reden: kan je niet eten)
Oefening 5. schreeuw – spring – trouwen – groen (reden: kan je niet doen)
Oefening 6. spruit – prins – spring – sprint (reden: begint niet met spr-)
Oefening 7. prins – bruidegom – vriend – traan (reden: geen persoon)
Oefening 8. schreeuw – fruitmand – prullenbak – broodplank (reden: geen voorwerp)
Oefening 9. kraan – druppelen – traan – groen (reden: heeft niet met water te maken)
Oefening 10. friet – graat- kreeft – droom (reden: eindigt niet op t)

R FINALE CLUSTERS

Oefening 1. koord – kerk – kers – mosterd (reden: begint niet met k)
Oefening 2. paard – eekhoorn – worm – worst (reden: geen dier)
Oefening 3. mosterd – kers – worst – doorn (reden: heeft niets met eten te maken)
Oefening 4. dorp – ouders – lantaarn – eekhoorn (reden: geen 2 lettergrepen)
Oefening 5. paard – laars – koord – taart (reden: heeft geen aa)
Oefening 6. arm – slurf – schors – worm (reden: een worm is geen onderdeel van iets)
Oefening 7. harp – laars – zwaard – ouders (reden: geen voorwerp)
Oefening 8. schors – berk – nerf – harp (reden: heeft niets met boom te maken)
Oefening 9. lantaarn – sjerp – jurk – laars (reden: kan je niet aantrekken)
Oefening 10. kerk – jurk – turf – berk (reden: eindigt niet op k)

S INITIAAL

Oefening 1. soldaat – sire – soep – sint (reden: geen persoon)
Oefening 2. salade – salami – salto – selder (reden: geen voedsel)
Oefening 3. salade – citroen – soep – suiker (reden: niet gezond)
Oefening 4. surfen – Soep – sok – sip (reden: meer dan een lettergreep)
Oefening 5. sauna – sok – sofa – samba (reden: niet eindigend op a)
Oefening 6. salami – salade – sandaal – citroen (reden: begint niet met sa)
Oefening 7. sip – salade – sieraden – sigaret (reden: niet drielettergrepig)
Oefening 8. sip – suiker – sap – soep (reden: eindigt niet op p)
Oefening 9. sigaar – suiker – sigaret – salade (reden: is niet ongezond)
Oefening 10. sok – som – soldaat – samen (reden: niet met o)

S MEDIAAL

Oefening 1. vissen – vossen – dassen – bossen (reden: geen dieren)
Oefening 2. kassa – kuisen – wassen – blussen – (reden: niets met water te maken)
Oefening 3. kuisen –kussen – wassen – flossen (reden: niet met proper te maken)
Oefening 4. fitnessen – tennissen – wassen – walvissen (reden: geen werkwoord)
Oefening 5. jassen – bessen – bossen – bussen (reden: begint niet met b)
Oefening 6. tennissen – parasol – dassen – matrassen (reden: geen drielettergrepig woord)
Oefening 7. kassa – kuisen – bessen – kussen (reden: begint niet met k)
Oefening 8. lucifer – tennissen –vissen – walvissen (reden: rijmt niet)
Oefening 9. lasso – trossen – lassen – lucifer (reden: begint niet met l)
Oefening 10. jassen – krassen – lassen – trossen (reden: bevat geen a)

S FINAAL

Oefening 1. Vis – muis – vos – fles (reden: geen dier)
Oefening 2. Doos – kaas – glas – fles (reden: kun je niets in wegstoppen)
Oefening 3. Gras – kus – mos – moeras (reden: heeft niets met de natuur te maken)
Oefening 4. Huis – mais – framboos – ananas (reden: kan je niet opeten)
Oefening 5. Appelmoes – ananas – brievenbus – boos (reden: niet drielettergrepig)
Oefening 6. Vos – bus – bos – boos (reden: begint niet met een b)
Oefening 7. Mes – kus – jas – appelmoes (reden: als enige meerlettergrepig)
Oefening 8. Doos – matroos – haas – boos (reden: rijmt niet met de overige woorden)
Oefening 9. Mos – muis – walvis – moeras (reden: begint niet met m)
Oefening 10. Muis – kus – huis – luis (reden: rijmt niet met de overige woorden)

S INITIALE CLUSTERS

Oefening 1. snavel – slee – slurf – stal (reden: heeft niets met dieren te maken)
Oefening 2. snijden – slapen – slaapzak – snurken (reden: heeft niets met slapen te maken)
Oefening 3. skiën – slee – sneeuw – snoep (reden: heeft niets met sneeuw te maken)
Oefening 4. slee – snor – stier – ster (reden: eindigt niet op r)
Oefening 5. steen – straat – spoor – slaapzak (reden: zie je niet op de weg/straat)
Oefening 6. snor – speld – snot – snurken (reden: heeft niets met een ‘neus’ te maken)
Oefening 7. slager – snijden – snoep – skelet (reden: heeft niets met een slagerij te maken)
Oefening 8. spiegel – strik – spijker – snavel (reden: bestaat uit maar één lettergreep)
Oefening 9. stofzuiger – sleutel – slaapzak – slak (reden: is geen gebruiksvoorwerp)
Oefening 10. stal – spijker– speld – spiegel (reden: begint niet met sp-)

S FINALE CLUSTERS

Oefening 1. gans – lans – rozenkrans – kwast (reden: rijmt niet met de overige woorden)
Oefening 2. rolmops – gans – jakhals – kast (reden: is geen dier)
Oefening 3. rijst – mens – heks – prins (reden: is geen persoon)
Oefening 4. kaars – brons – kast – kwast (reden: begint niet met k)
Oefening 5. fiets – muts – mars –mist (reden: begint niet met m)
Oefening 6. rijst – chips – rolmops – kaars (reden: kun je niet opeten)
Oefening 7. rolmops – rups – roodbaars – gans (reden: zwemt niet in water)
Oefening 8. lens – laars – rozenkrans – lans (reden: begint niet met l)
Oefening 9. roodbaars – kers – gans – Mars (reden: is niet rood)
Oefening 10. jakhals – lens – orkest – ouders (reden: bestaat niet uit twee lettergrepen)

SCH INITIAAL

Oefening 1. schuilen – scheuren – schaatsen – scheidsrechter (reden: geen werkwoord)
Oefening 2. schelp – schubben – schip – schakelaar (reden: niets met zee te maken)
Oefening 3. schiereiland – schuur – school – schilderij (reden: geen plaats, daar kan je niet naartoe)
Oefening 4. schop – schip – schaap – schedel (reden: woord eindigt niet op p)
Oefening 5. schouder – schedel – scheel – schildpad (reden: heeft niets met lichaam te maken)
Oefening 6. schoen – schort – schaats – schaakbord (reden: kan je niet aantrekken)
Oefening 7. schildpad – schaap – schaaldier – schommel (reden: geen dier)
Oefening 8. schop – schort – scheplepel – schaakbord (reden: niet met o)
Oefening 9. scheidsrechter – schoen – scheplepel – schakelaar (reden: niet drielettergrepig)
Oefening 10. schommel – schild – schaakbord – schiereiland (reden: niet op d)

T INITIAAL

Oefening 1. tonijn – teen – torso – tong (reden: geen deel v.h. lichaam)
Oefening 2. tuin – tulp – tak – turnen (reden: heeft niets met de tuin te maken)
Oefening 3. tube – tijger – ton – tas (reden: enkel de tijger is een dier)
Oefening 4. turnen – terras – tennis – tekenen (reden: is geen activiteit)
Oefening 5. teil- telefoon – tijger – tamboerijn (reden: geen ij/ei)
Oefening 6. Ton-tuin-taak – telefoon (reden: geen n op het einde)
Oefening 7. Tennis – thuis – terras – tulp (reden: geen s op het einde)
Oefening 8. Ton – tak – top – tong (reden: bevat geen o)
Oefening 9. tamboerijn – taak – telefoon – tovenaar (reden: niet drielettergrepig)
Oefening 10. tunnel – tafel – tien – tegel (reden: eindigt niet op el)

T MEDIAAL

Oefening 1. gieter – sleutel – gitaar – getal (reden: begint niet met de g)
Oefening 2. buiten – auto – motor – locomotief (reden: heeft niets met vervoer te maken)
Oefening 3. kapitein – ruiter – otter – ketel (reden: is geen levend wezen)
Oefening 4. water – boter – eten – ratelslang (reden: is niet eet- of drinkbaar)
Oefening 5. gieter – water -zweten – auto (reden: heeft niets met water te maken)
Oefening 6. ratelslang – gitaar – otter – kater (reden: is geen dier)
Oefening 7. auto – ratelslang – totempaal – kapitein (reden: is geen drielettergrepig woord)
Oefening 8. ruiter – natuur – getal – otter (reden: eindigt niet op een r)
Oefening 9. datum – sleutel – hotel – schotel (reden: eindigt niet op een l)
Oefening 10. foto – eten – locomotief – gitaar (reden: enige tweelettergrepige woord)

T FINAAL

Oefening 1. bad – pad – gat – boot (reden: rijmt niet met de andere woorden)
Oefening 2. geit – hut – pad – rat (reden: is geen dier)
Oefening 3. gat – pit – pot – poot (reden: begint niet met een p)
Oefening 4. friet – fruit – brood- fout (reden: is niet om te eten)
Oefening 5. pit – pot – rot – slot (reden: rijmt niet met de andere woorden)
Oefening 6. nat – bad – rat – pit (reden: rijmt niet met de andere woorden)
Oefening 7. lied – bed – bad – brood (reden: begint niet met een b)
Oefening 8. gat – poot – grot – geit (reden: begint niet met g)
Oefening 9. fout – koud – poot – oud (reden: rijmt niet met de andere woorden)
Oefening 10. dood – pit – brood – poot (reden: rijmt niet met de andere woorden)

T INITIALE CLUSTERS

Oefening 1. stok – steen – ster – trommel (reden: begint niet met st-)
Oefening 2. stok – steen – stift – storm (reden: kan je niet vasthouden)
Oefening 3. stok – step – struik – stronk (reden: heeft niets met de natuur te maken)
Oefening 4. struisvogel – traan – stofzuiger – strijkijzer (reden: geen drielettergrepig woord)
Oefening 5. streng – sterk – stil – trein (reden: geen bijvoeglijk naamwoord)
Oefening 6. trommel – trekken – stoel – steen (reden: geen zelfstandig naamwoord)
Oefening 7. trein – traan – twee – troon (reden: begint niet met tr-)
Oefening 8. strip – trampoline – stronk – strepen (reden: begint niet met str- )
Oefening 9. trampoline – step – trommel – stier (reden: heeft niets met ‘spelen’ te maken)
Oefening 10. tros – stoel – stof – storm (reden: bevat geen o-klank)

T FINALE CLUSTERS

Oefening 1. eend – kist – paard – hond (reden: is geen dier)
Oefening 2. taart – zwaard – paard – lift (reden: rijmt niet met de andere woorden)
Oefening 3. zand – nest– brand – mand (reden: rijmt niet met de andere woorden)
Oefening 4. geld – zwaard – kist – lucht (reden: heeft niets met piraten/rovers te maken)
Oefening 5. naald – lucht – nacht – acht (reden: bevat geen ‘cht’)
Oefening 6. eend – nest – geld – paard (reden: geschreven woord eindigt niet op d)
Oefening 7. lift – biljart – blind – baard (reden: bevat geen i)
Oefening 8. vlecht – brand – nest – geld (reden: bevat geen e)
Oefening 9. hemd – hoofd – nest – hond (reden: begint niet met een h)
Oefening 10. mand – koord – hemd – muts (reden: bevat geen m-klank)

Z INITIAAL

Oefening 1. zon – zonnebank – zolder – zeilboot (reden: geen ‘zo’ in het woord)
Oefening 2. ziekenhuis – ziekenwagen – ziek – zinken (reden: heeft niets met ziekte te maken)
Oefening 3. zoeken – zetel – zien – zaaien (reden: is geen werkwoord)
Oefening 4. zuur – zoet – zout – zalm (reden: is geen smaak)
Oefening 5. zomer – zon – zaag – zandkasteel (reden: heeft niets met zon en strand te maken)
Oefening 6. zakmes – zuurstof – zandloper – zeven (reden: geen samenstelling)
Oefening 7. zinken – zeilboot – zee – zadel (reden: heeft niets met varen te maken)
Oefening 8. zon – zonnebank – zomer – zetel (reden: wordt niet geassocieerd met warmte)
Oefening 9. zout – zalm – zaad – zakdoek (reden: is niet eetbaar)
Oefening 10. zaaien – zoeken – ziekenhuis – zandkasteel (reden: heeft geen k in het woord)

Z MEDIAAL

Oefening 1. blazen – blozen – matrozen – dozen (reden: er is geen ‘ozen’ in het woord)
Oefening 2. luizen – vleermuizen – poezen – radijzen (reden: is geen dier)
Oefening 3. blazen – kaartlezen – vrezen – dozen (reden: is geen werkwoord)
Oefening 4. puzzel – Frambozen – abrikozen – radijzen (reden: is geen voedsel)
Oefening 5. prijzen – radijzen – wijzen – puzzel (reden: rijmt niet met de overige woorden)
Oefening 6. glazen – vazen – dozen – wijnglazen (reden: daar doe je niets vloeibaar in)
Oefening 7. ezel – muizen – abrikozen – hazen (reden: is geen dier)
Oefening 8. azijn – bellenblazen – blozen – bevriezen (reden: begint niet met de b)
Oefening 9. wijnglazen – abrikozen – azijn – glazen (reden: er staat geen glas op de foto)
Oefening 10. lezen – frezen – vazen – kaartlezen (reden: rijmt niet met de overige woorden)

Z INITIALE CLUSTERS

Oefening 1. zwaan – zwaard – zweer – zwaai (reden: begint niet met ‘zwaa’)
Oefening 2. zwaaien – zweven – zwijgen – zwembroek (reden: is geen werkwoord)
Oefening 3. zwanger – zwijn – zwaan – zwaardvis (reden: is geen dier)
Oefening 4. zwak – zwaar – zwart – zwerfkat (reden: is geen bijvoeglijk naamwoord)
Oefening 5. zwempak – zwemband – zwembroek – zweep (reden: heeft niets met zwemmen te maken)
Oefening 6. zweven – zweefvliegtuig – zwaardvis – zwaluw (reden: zul je nooit in de lucht zien)
Oefening 7. zwachtel – zwijgen – zwelling – zweer (reden: wordt niet geassocieerd met een ziekte of een wonde)
Oefening 8. zwerver – zwanger – zwabber – zwaan (reden: eindigt niet op -er)
Oefening 9. zwerver – zwerfvuil – zweet – zwerfkat (reden: heeft niets met “zwerven” te maken)
Oefening 10. zwaaien – zwemmen – zweefvliegtuig – zwembad (reden: er is geen water op de foto te zien)

 
Image